Tibetaanse ballingen, woonachtig in India, zijn gisteren een protestmars van zes maanden begonnen tegen de Chinese overheersing en de Olympische Spelen in Beijing.
Op 10 maart 1959 kwamen de Tibetanen in opstand tegen de overheersing van China. Negenenveertig jaar geleden stootten de Chinezen de Dalai Lama - de politiek en geestelijk leider van Tibet - van zijn troon. De Dalai Lama zag zich gedwongen te vluchten naar India, alwaar hij sindsdien in ballingschap leeft en vandaaruit de boeddhistische gemeenschap aanstuurt.

In de Indiase stad Dhramsala, waar ook de Dalai Lama gehuisvest is, kregen de betogers van de Indiase politie te horen dat zij niet verder mochten op hun tocht. Te voet verdergaan zou een overeenkomst tussen de Tibetaanse regering in ballingschap en India schenden. Deze boodschap zal echter niet snel beklijven, aangezien de vreedzame opstandelingen bereid zijn hun leven te geven.

Ook in de Tibetaanse hoofdstad Lhasa herdachten Boeddhistische monniken de opstand van 1959. Geheel volgens de Boeddhistische principes verliep ook deze betoging vreedzaam. Toch werden tientallen monniken opgepakt, zo versloeg de door Amerika gefinancieerde zender Radio Free Asia.
De Tibetaanse ballingen uit India hebben vandaag hun tocht hervat.

Reageren op dit bericht kan ook hier